ikbenlianne

Well done, you

Woensdagavond. Ik zit op mijn tapijt met als rugleuning mijn iets te lage bed. Rode wijn naast me, de afstandbediening binnen handbereik en met als achtergrondmuziek The Weepies. The Weepies, dat klinkt best zielig. Maar God, wat heb ik dit lang niet meer geluisterd en wat is het eigenlijk fijne muziek. Mijn getik gaat harder dan het Weepie volume, maar toch slaat het gevoel van de muziek harder in dan de woorden die ik tik. The Weepies ken ik vanuit mijn Tilburg tijdperk. Isa, mijn dierbare vriendin van toen begon over dit fijne geluid. Ik ben dit fijne geluid door de jaren heen uit het oog en oor verloren. Ook maar weer een feit dat muziek zo fijn kan zijn. Soms luister je het jaren later terug, en dan brengt het nog zoveel waarde met zich mee. En dan voel je je weer even het zeventienjarige meisje van toen. Toen al wetend wat de waarde van vriendschap was, de waarde van ouders en de waarde van het hebben van een passie. De waarde van een waardevol leven.

Soms kom je ineens mensen tegen, zonder van tevoren te weten wat ze met je gaan doen. Ze kunnen je leven een boost geven. Een soort van Mario Kart achtige taferelen. Alle krachten die je ooit al had, die worden dan verdubbeld met een explosie. En dan beuken ze er even extra hard in. ‘Level up’. Alles wat je dan doet, al je wapens die je bezit en al de beuken die je geeft, werken met je mee. Je hebt wind mee als de malle. Je voelt je een geluksvogel die een geluksduw in de juiste richting krijgt. Alles gaat goed en voor je eigen gevoel komt dat omdat iemand het spel met je mee speelt. Je bent geen single, maar een duo player. Je ontwijkt de bananen, maar alle bliksembonuspunten op de weg pak je. Well done, you two.

Maar eerlijk, doen we het eigenlijk niet allemaal zelf? In ons eentje? Ik bedoel, een auto kan je niet met zijn tweeën besturen toch? Al dat talent en die krachten, die lagen toch altijd al op de achterbank? Heb je soms echt iemand nodig om die op te rapen?

Ik praat zo ontiegelijk, te ontiegelijk vaak met mijn dierbare vriendinnen over het hebben van een wederhelft, een duo-player. Diegene die voor jou het stuur vasthoudt als jij je moed van de achterbank moet rapen.

Eigenlijk is het zo suf. Want ik heb veel meer dan dat. Ik heb vrienden die me soms het bed uittrekken. Die me wakker maken met koffie en kippensoep. Die onder mijn raam staan te schreeuwen of ik thuis ben. Die met een blauw oog mee naar de kerk gaan of gewoon een film aanzetten zonder dat ik moet zeggen welke film ik leuk vind. Die over mijn been wrijven tijdens een concert omdat ze weten dat het liedje me emotioneel maakt. Die me bellen op een katerzondag om te vertellen dat ze me meenemen naar een koe-schijt-evenement. Die met me mee gaan naar een event zonder precies te weten wat ik eigen voorgesteld heb. Die vrienden die vragen hoe het met de realisatie van mijn dromen gaat, terwijl ik die dromen soms al had laten vallen.

Die mensen. Die niet eens vragen of ze moeten sturen. Maar die dat gewoon doen.

Well done,
well done you.

 

 

Advertisements

Pokébowling en piemelslingeren

De meeste mensen die dit lezen weten wel dat ik een fascinatie heb voor woorden, de Nederlandse taal. Ik maak woordgrappen waar ik soms wel eens een gele kaart voor krijg, een waarschuwing. Maar mensen gaan het steeds meer gedogen en uiteindelijk wordt die kaart een geel kleurenpalet met 156 waarschuwingen. Stiekem vinden ze het toch wel leuk, denk ik dan.

Wanneer ik over straat loop dan word ik vrolijk van hoeveel er eigenlijk wordt getwisterd met taal. Zo liep ik gister door de Javastraat en zag ik een bord met ‘Zomer in je pokébowl’. Ik vind pokébowls best stom omdat dit weer zo’n gehyped ding is waarbij de marketingmensen weten dat iedereen uit het Pokémontijdperk dit nooit meer uit zijn bowl krijgt. Maar ik zou eerder gaan eten bij Zomer in je pokébowl dan bij een Karin’s Quinoabar. Als de naam stom is, dan moet het eten verrekte goed zijn. En ik wil het beste van beide.

Het eerste wat je ziet, dat blijft bij. Dat weten we allemaal. Vooral bij vrouwen. Vrouwen bewegen zich constant voort met een scorebord in hun bowl. Je krijgt, zonder dat je het beseft, min- en pluspunten binnen. Theorie: daarom vinden vrouwen het moeilijk om ineens een nietszeggende relatie stop te zetten. Je kunt zo -5 halen, en daarna haal je weer 7 punten binnen omdat je toevallig ook naar Alt-J luistert en je hebt ingeschreven voor een cursus Japans. Maar, het gaat erom waar je begint op dat scorebord. Openingszinnen zijn de key. Wanneer je begint met een ‘hey, hoe gaat het’, dan blijf je staan op een 0. De ‘Hey, hoest’ is trouwens wel meteen -4. Wanneer je vraagt welke sokken je vandaag draagt, dan sta je gelijk op een 8. En wanneer je vraagt of iemand een keer aan je lianen wil slingeren, tja, dan krijg je eigenlijk een Zinedine Zidane kopstoot rood en kun je het wel vergeten. Maar goed, ook Zinedine heeft nog een relatie. Dus zelfs dán kan het nog.

IMG-20180901-WA0007

En hééél soms, blijven openingszinnen je echt bij. Dat je op je eigen bruiloft staat en dat je het hebt over: ‘weet je nog, dat jij zei dat er nog nooit iemand zo ontiegelijk aseksueel op het nummer van Gers Pardoel had gedanst?’ En dat je daar heel hard met de lekkerste Whiskey om kan lachen. Ergens in de Toscane dan wel natuurlijk, met een bitterbal.

Hoe oneindig kut en nietszeggend het liefdesleven er nu uitziet, uiteindelijk blijven we allemaal hopen op die ene, allesbepalende openingszin. Misschien komt de Tim van ‘Hey, hoe gaat het’ er in de snelle toekomst wel achter dat niemand van de druklevende vrouwen zin heeft om even goed te gaan zitten voor die ene perfecte reactie. En de in de lianen slingerende Tarzan, tja, die slingert vast wel een keer in zijn eigen Poké-kuil.

Tekening: Romy Maasdam

Het meubilair van de Vijfhoek | Deel II

Elke keer als ik van het station naar huis loop en het is een beetje mooi weer, dan ben ik eigenlijk 100% gelukkig. Ik loop altijd via het station langs de Friethoes. Ik meen dit wanneer ik zeg dat ik er vaak alleen langsloop. Friet is mijn leven, maar als ik iets kut vind, dan is het wel met een friet-to-go door de straat lopen. Ik voel me dan constant op mijn friettenen getrapt. Busted. ”Zie d’r weer gaan met d’r friet”. Friet eet ik echt heel anoniem. Liefst ga ik met een vuilniszak over mijn hoofd naar de friettent, neem ik een frietje om mee te nemen en sprint ik naar huis. Daar ga ik er even goed voor zitten tijdens VT wonen en kan ik ongegeneerd mijn frietding doen.

Nee, ik loop langs de Friethoes, omdat ik dan even de frietgeur in me opneem. Ik zie toeristen dat eerste frietje in hun mond laten glijden en een in slowmotion alles-overwinnende blik geven. Vaders die hun kinderen plagen met het ‘wil jij dit frietje?’ – krijg je nietje’. En dan gaan kinderen huilen, love it.

Daarna loop ik langs de appie en dat vind ik heerlijk. Ik hoef niet om te lopen voor de supermarkt en ik heb al in de trein nagedacht wat ik wil en wat ik nog in mijn koelkast heb. Ik kan dan in de Appie net zoals Rita Verdonk recht door zee gaan. En daarna de zelf-kassa. Voor de ouderen onder ons is de drempel van de zelfkassa nog net iets te hoog. Ze gaan liever vertrouwd achteraan de 4km lange rij staan. Ik loop dan met mijn boodschappen naar de zelfkassa en dan voel ik die blikken: ”zij doet het, zij kan tegen verandering, zij is independent.” Daarna zie ik nog een goedkeurende blik van een AH-medewerker die blij is dat er eindelijk iemand is die niet om hulp heeft gevraagd.

De volgende halte, daar kom ik altijd een beetje in tweestrijd met mezelf. Ga ik voor mensen tegenkomen op de Grote Markt, of ga ik voor mensen zien afpeigeren voor de coffeeshop? Vaak kies ik voor optie 1. En vaak kom ik dan eigenlijk helemaal niemand tegen, maar dat maakt niet uit. Ik zie mensen dan al een beetje aan de borrel en dan is mijn lever ook weer geprikkeld. Maar, omdat ik dit ook weet van mezelf, heb ik expres geen wijn gehaald bij de appie. ”Je hebt nog ergens een zielige Spa rood in de koelkast Lian, teer daar maar even op”. In ieder geval, aangekomen bij de Grote Markt is wel de toon gezet. Dan ga ik al lichtelijk mijn plannen maken voor het weekend en app ik mijn vriendinnen of zij al een aanpak voor mij hebben bedacht. Door naar de Koningsstraat, waar altijd een verloren, al 20 jaar gescheiden man de Bühne heeft betreden en een vage cover van Sweet Home Alabama zingt.

Ook dáár moet ik me tot in mijn botten inhouden om niet naar binnen te gaan. Want ik weet, er zijn nog twee bijzondere etappes in de aantocht.

En zo kom ik op de Botermarkt. Er hangt nog steeds een spandoek met de kreet dat het de beste markt van 1998 was. Apetrots ben ik dan natuurlijk. Dit vind ik trouwens altijd wel een moeilijke etappe. Je ziet er, zoals we in het Brabants zeggen maar wat in het Noorden iets heel anders betekent, afgewerkt uit. En je moet langs een kudde terrassen waar iedereen met spareribs en pullen bier je lamlendig kan aanstaren terwijl jij met je hakken je balans probeert te behouden op de klinkers. In realiteit duurt dit misschien één minuut voordat je hier voorbij bent. Maar in je hoofd ben je je urenlang aan het focussen. Staat mijn mond niet half open van uitputting? Loop ik scheef? Zat er trouwens niet een gigantische vlek op mijn stoffen tas die ik er niet van af heb gehaald? Scheurde ik nou net uit mijn panty? Dan ga je ineens van de zelfverzekerde zelfkassa-ik naar de Bridget Jones klasse. Gezien worden is oké. Maar het voelt alsof iedereen vanaf zijn luie reet kijkt hoe je het winnende doelpunt moet gaan maken. EK lingerie penalty schieten. RTL 7. Als je dit nog nooit gezien hebt, nooit terugkijken. Je krijgt een soort van levenslange deja vu’s hiervan.

Maar dan, na die emotionele tocht, kom je bij het mooiste plekje van Haarlem. Je ziet in je gedachten een finishlint hangen. The Hobbit die thuiskomt. Je slaat linksaf en je komt bij de Vijfhoek. De Vijfhoek is inderdaad een wijk vol YUP’en en ja, ik vind het ook krankzinnig dat kinderen daar een babyccino bestellen bij de lokale barista. Maar ook zit deze wijk vol groen, vol inspiratie en kunst. Ik kom langs café de Vijfhoek, wat gelegen is aan het mooiste punt van Haarlem. Ik zwaai naar de bediening en laat zien dat het goed met me gaat. Nog 10 meter verder. Dan maak ik de deur van mijn chaotische rust open. Het is verrekte stoffig, maar daar heb je dan een momentopname last van. En de 16 vierkante meter is genoeg om af en toe in te klagen. Ik duik op bed en ik kijk uit mijn raam.

En soms vraag ik me af of ik hier ooit wel weg wil.

lotteTekening: Miss Romy Maasdam

 

Meubilair van de straat | deel I

M’n Microsoft pakket is al maanden verlopen
en toch blijf ik altijd op een free trial hopen
mijn shampoofles heeft de bodem bereikt
toch wonderbaarlijk hoe ik er steeds nog iets uitknijp
nog 14 postvak in, op mijn duo profiel
krijg ik nog wat geld terug? de kans is nihil
tikkie, jij bent ‘m, maak geld over snel
vroeger was ik écht goed in dat spel

Mijn camera die is kapot
wc papier al heel lang op
Het bed is vierdehands
en m’n saldo uit balans

En als ik ga uit eten
wil ik alleen de daghap weten
en wanneer we aftaaien
de pepermuntbak leeggraaien

ga niet vragen

hoe het financieel met me gaat

ik ben en blijf
waardevol,
als meubilair van de straat.

Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen

Mooi hé? Dit komt uit een gedicht van Jan van Nijlen. Ik ken deze beste man ook pas een half uur. Ik wilde gaan stofzuigen. Maar niet zomaar even stofzuigen. Ik stond met één voet op de zuiger. En met mijn beide handen trok ik met veel geweld de kabel uit de doos. Ik voelde me alsof ik Napoleon was die zijn zwaard uit zijn zwaardhouder trok en te paard ging. Ik bestijgerde (en dat is dus helaas geen woord) als het ware de stofzuiger. Ik Googlede daarna het woord bestijgeren, en toen kwam ik bij Jan. Deze eerste alinea klinkt erg kinky, maar geloof me: ik denk dat mijn 90-jarige buurman ook erg genoten heeft mijn versie van de Slag om Waterloo. Alles moest schoon. De dood of de gladiolen.

De vloer is weer klaar om te buikglijden. Nu de rest nog. Operatie keuken. De geur van oude Tequila in combinatie met woksaus en een gootsteen waar al weken niet meer naar om is gekeken doe ik niemand aan. Ik ben ook echt zo iemand die dan na een jaar denkt: goh, misschien moet ik het druiprek ook een keer schoonmaken. Ja, of gewoon een nieuwe kopen. Maar hallo, ik ben een Nederlander. Als iets het nog doet, dan doet het het nog. En ik geef liever geen geld uit aan afdruiprekken. Ik kom gewoonweg niet uit die tijd dat ik er ook maar 1 fractie van een seconde aan denk om dat in mijn boodschappenlijst-gedachte te zetten. Daarna dacht ik dat het ook wel slim was om mijn koelkast een keer grondig te inspecteren en die cranberrysap van de blaasontsteking van maanden terug ook maar een keer weg te knallen. (Geef toe, niemand drinkt cranberrysap voor zijn plezier). Zelfs de straat keek trouwens op van mijn schoonmaakaanval. Ik liep met een rode blos naar buiten. De vuilniszakken droeg ik als gewonde soldaten op mijn rug. Van mijn muzikale buurman op de hoek kreeg ik een positieve knik: ”lekker bezig”. Maar, van binnen wist ik: deze strijd is nog lang niet gestreden.

De zomer heeft mijn kamer namelijk echt een grote klap gegeven. Overal, echt overal, wilde ik de afgelopen weken liever zijn dan op deze 18 vierkante meter. Ik heb deze ruimte en alles er in ook even hard laten stikken. En ik weet niet of deze relatie nog ooit goed komt. Ik heb na, ik denk wel 6 maanden, weer eens een cd opgezet en ik werd meteen overladen met een stofregen. Mijn keel was na mijn Sziget-vakantie al niet echt geschrapen, maar nu heb ik zo’n zand-strot dat ik er even bij ben gaan zitten en de meest depressieve cd van Anthony and the Johnsons heb opgezet. En sindsdien zit ik eigenlijk al een tijdje voor me uit te staren en naar het geroezemoes van de Vijfhoek te luisteren. Het is bijna 9 uur. Ik kijk naar mijn plak-tattoo op m’n rechter bovenarm die ik een paar dagen terug door een mede-festivalganger heb goedgekeurd. ”Born to lead”, staat erop. Ik heb nog niet echt goed de tijd genomen om deze er af te krassen. Ik kijk naar mijn sneakers, die nog dringend een handwas nodig hebben. Ik kijk naar mijn gitaar, die al tijden geen aandacht meer heeft gekregen. Mijn ananasplant, die smeekt om water. En de boodschappen, die ik een paar uur geleden nog nodig had, maar waar ik nu al geen trek meer in heb.

Maar weetje,

Het hoeft ook niet allemaal vandaag..

Hij is niet mijn probleem

24 jaar en single. Dat zorgt er ineens weer voor dat ik op feestjes het ijs breek met mijn Tinder-taferelen en happige Happen verhalen. Tja, eerlijk is eerlijk: ontmoetingen in de stijl van The Notebook of Nothing Hill zitten er in 2018 niet meer in. Niemand durft in een reuzenrad te hangen en als je mega famous bent ga je niet met een lapzwans die werkt in een boekenwinkel. Sowieso zou je nooit voor Hugh Grant gaan, maar dat terzijde.

In 2018 ga je met vriendinnen op stap. Je wordt aangeschoten, je danst wéér op treasure van Bruno Mars, je zeikt wéér over dat ze de afspeellijst een keer moeten vernieuwen en de enige liefde die je nog vindt is bij snackbar Cupido in de Lange Veerstraat. Tinder? Dat komt de volgende dag. Zondagmiddag rond een uur of 3.

Goede gesprekken zijn er nauwelijks, je merkt dat je duim gespierder wordt van het naar links swipen. Met een mega onderkin zit je daar dan, in je bed, wachtend tot er iemand bij zit die je verdomme eens entertaint. Na een tijdje komt er een onschuldig gesprek op gang en een week later heb je een date. Voila, c’est l’amour!

Nu ik een paar ontmoetingen heb meegemaakt, kom ik er weer achter hoe het werkt. In het begin beetje smalltalk, daarna probeer je raakvlakken te vinden en je moet net iets harder lachen dan dat je normaal zou doen. Mannen voelen zich meer op hun gemak als ze weten dat ze komisch worden gevonden.

Goed, waar wil ik naartoe met dit verhaal? Ik wilde gewoon even zeggen dat ik daten leuk vind. Waarom? Daten is vrijblijvend. De eerste dates zouden alleen maar om leuke dingen moeten gaan. Het leuk gevonden worden. Elkaar positief verbazen en aan iemands lippen hangen (ja die andere optie mag ook). De eerste dates zijn voor het pitchen van je feest-ik. ”Het glas is altijd half vol”. De ik-heb-99-problemen-ik, die zou pas veel later aan bod moeten komen. Daten is fijn, omdat zijn 99 problemen nog niet jouw problemen zijn. Hoe meer dates je hebt, hoe meer problemen je van die persoon accepteert. En uiteindelijk? Dan heb je een relatie. En dan zit je gezellig samen in de shitput met 189 problems. Life’s a bitch.

romy1
Dus, met deze theorie in mijn achterhoofd ging ik vol goede moed een nieuwe date ontmoeten. Edwin heette die (ja, ik praat al in verleden tijd). Edwin kwam uit India. Mijn multi-culti ik zag in haar hoofd al de bucketlist met het groene vinkje: ”daten met een Indier”. In het begin ging het natuurlijk heel erg cheesy over wat Indische woorden die hij me wilde leren. Hij wist nog niet dat ik zo’n persoon was die dat toch na 3 minuten weer totaal vergeten is. Ik was niet snel impressed. Het lag ook aan alles. Het lag aan de wind waardoor er steeds zand in m’n oog kwam, het kwam door het accent, het kwam door dat Edwin heeeel langzaam over zijn bier deed en het kwam door de kat. De kat die zat te azen op de steak van Edwin. Waardoor Edwin heel erg onzeker werd en waardoor ik eigenlijk een uur lang die kutkat heb moeten wegjagen. Ik wil dit niet, dacht ik. Ik wil een man die die kat maar één keer goed in de ogen hoeft aan te kijken. Met een blik die zegt: ”fack niet met mij, of ik maak een cat-astrofe van je.”

Het ge-eet van Edwin duurde ook ongeveer even lang als de Tweede Wereldoorlog en op een gegeven moment was ik done. Ik was chagrijnig. Ed, het hoeft niet meer. Ondertussen ging Ed nog gewoon door met zijn ”de dingen die ik nog allemaal wil zeggen op deze date” lijst. Het leek hem wel leuk om een opmerkelijk verhaal over zichzelf te vertellen (let op: een opmerkelijk verhaal, dat mondt dus vaak uit tot, jawel, een probleem).

”I eat 9 bananas a day.”

”Wait, whut?”

”I eat 9 bananas a day”

En ineens ging alles in mijn hoofd heel snel. Ik zag Ed en mij gesetteld en wel in een huisje in Waddinxveen. Ik kom thuis van werk en het enige wat je wilt is dan even Wordfeuten op de wc. Bezet. Ed. Met darmproblemen.

romy2
Edwin en Lianne hebben elkaar niet meer gezien.

Tekening: Miss Romy Maasdam

Zondagsgebed

”Li, ik heb echt vet koppijn”.
Het is Lies. Elke keer weten we dat we van de Stiels en de Bucksy’s koppijn krijgen. Maar elke keer staan we er weer. Doen alsof alles de eerste keer is.
Naast me ligt een lege pizzadoos, alleen de randjes kreeg ik niet weggewerkt. De bezorger van Domino’s moest wel gedacht hebben: wie bestelt er in Godsnaam op zondag om 11:30 een pizza. Tja. Ik was wakker en grumphy. Nog niet klaar voor de wereld, maar wel voor bacon.
De laatste tijd worden de pizza-in-bed-zondagen steeds waardevoller voor me. Het gevoel dat je alles nog even uitstelt. En mensen die me bellen, die weten dan ook hoe laat het is. En laten me dan gewoon.
”Hoi mam”
”Ik hoor het al, ik bel vanavond of morgen wel even terug”.
”Top”.

Ik werd laatst weer geconfronteerd met deze blog. Vanochtend heb ik de tijd genomen om het nog even grondig door te lezen. Sinds september 2012 klaag ik nog steeds over dezelfde dingen. Maar ik heb ook weer wat muziek teruggevonden. Zo ging ik net met mijn enige beetje energie even los op ‘We are the cheeky girls’ en nu luister ik bijvoorbeeld naar William Fitzsimmons. Hij is een beetje cheesy en zingt een beetje zielig. Maar voor nu, nu de mascara als foundation over mijn gezicht zit en de pizzakruimels als een stoppelbaard om mijn mond hangen, voel ik me ook wel een beetje Fitzsimmons-kansloos.

Nog steeds zit er heel veel Lianne 2012 in Lianne 2018. Of, in ieder geval, dat probeer ik kosten wat het kost vast te houden. Dat ik mensen tegenkom en dat ze zeggen: ”’jij bent ook niks veranderd hé.” Nee, inderdaad. Ik was mega awesome toen. Dat wist ik toen op 18-jarige leeftijd niet altijd. Maar nu ik deze blog teruglees dan geloof ik daar wel in.
En, nog iets moois. Alle mensen die beschreven worden. Die zijn er nog steeds. Dat is ook wel een applausje waard. En ook het verhaal wat ik toentertijd beschreef over hen, dat is eigenlijk nog steeds zo. We twisteren nog steeds met taal, ik word nog steeds getagd in struikelende Alpacafilmpjes en vele leven nog in vercrackte studentenkamertjes. Al het geld wat we hebben gaat op naar het Yes Weekend fonds. Living the life. Hopelijk houden we dit nog even aan.

Even het tegenovergestelde van Instagram. Hoe is mijn huidige status:
– Oké, de lege pizzadoos. Die moet zo echt van de vloer
– Ik moet douchen. Dat staat in mijn Google agenda gepland voor 5 uur.
– Ik denk dat het ook tijd wordt voor nieuw beddengoed
– Oh mijn god, ik zie nu dat het regent. Dat lucht me ergens wel op. Een extra reden om binnen te blijven
– William Fitzsimmons wordt nu wel echt een beetje verdrietig. Ik hoop dat ie in het echte leven wel gelukkig is.
– Ik ga straks een aardbeien milkshake halen, zonder klonten.

Zondag. Ik prijs je de hemel in.
Amen to the good, the bad en het bed.

Ik lijd aan een sociaal leven

Ik heb geld nodig. Best veel geld eigenlijk. En er zit misschien niet zo heel veel op. Wanneer ik Google afstruin met de vraag: ”hoe kom ik makkelijk aan geld?” dan krijg ik het aanbod om in mijn blootje achter een camera plaats te nemen. Of ik moet 3 weken zonder vrienden en internet plaatsnemen in een laboratorium in Groningen waar ze me vol gaan spuiten met vloeistoffen die ik niet kan uitspreken. Ik heb al twee baantjes, twee en een half eigenlijk, en ik weet ook niet of de roostermakers het leuk vinden om te horen dat ik nog eens 3 weken vakantie wil. Of nog erger: dat mijn collega’s klaar zijn met werken en om 12 uur ‘s avonds thuiskomen, de tv aanzetten en mij dan in een luipaardprint badjas, op een luipaardprint bank, met luipaardprint behang in een luipaardprint leven zien.

Het duurde even tien minuten voor dat ik dit beeld uit mijn hoofd kon zetten. Maar nee, ik moet me realiseren dat één baantje erbij me echt niet meer geruststelling gaat geven. Ik lijd aan een (sociaal) leven. Dit klinkt best wel heftig en misschien moet ik toch maar effe onderzocht worden door 12 mannen in witte pakken in Groningen. Maar ik wil alles, ik vergelijk alles, ik doe alles, ik probeer alles, ik ben overal en toch ben ik net niet op genoeg plekken om iedereen (en daarbij ook mezelf) te pleasen. Ik ben 22, ik moet alles weten en mijn Bachelor of Communications is eigenlijk meer een Bachelor of Alles. 22 jaar en nu al zaken, nu al met je haren in het hoofd en nu al vervelende brieven binnen van de zorgverzekering (dat gebeurt normaalgesproken al sinds je 18e, maar bij mij duurde het allemaal even voordat ze naar het juiste postadres werden verstuurd..)

En geloof me: een sociaal leven gaat allang niet meer over samen wijnen. Het gaat over relaties, beloftes maken aan elkaar, nieuwe mensen ontmoeten, over je werk praten en ondertussen ook nog eens de ander entertainen en ‘inspireren’. Bovendien kost een sociaal leven ook nog eens een vermogen. Er moeten altijd maar kaasjes, speltbrood en tegenwoordig ook Gin Tonic bij. Waarvan er dan ook nog eens drie van je ‘gezelligheidsdieren’ eerder weggaan en nooit meer terugkomen op het feit dat je nog 26,50 van ze krijgt.

Ik heb nu trouwens wel een soort van tussenweg gevonden: social deal en vakantiepiraten. Als ik wil uiteten doe ik dit voor niet meer dan 12 euro en vliegen naar een warm land doe ik alleen maar als ik in Amsterdam kan opstappen en het me niet meer dan 20 euro kost. Alleen vraag ik me af of ik hier een beter mens van word. Ik gun de mensheid geen stuiver meer uit mijn portemonnee en ik eis, net zoals de kortpittig generatie, elke 20 cent die heb uitgeleend terug. Geld maakt me hard, gemeen en meedogenloos.

Mag ik terug naar die tijd dat iedereen een figuur uit Hamtaro mocht zijn en dat we een huis maakten in de zandbak? Dat was tenminste spontaan, je gunde elkaar alles en bovendien: het was gratis, en onbetaalbaar. Alles kost tegenwoordig geld en geld maakt mij blijkbaar wel gelukkig. Ik hoop dat het net zo gaat werken als het hebben van een TV: als je het hebt is het chill, en zo niet dan maakt heel DWDD je ook geen bal meer uit.

Goed, het duurt nog even voordat het nieuwe salaris wordt gestort.
Maar de komende maand ga ik eens proberen sociaal te zijn in plaats van sociaal te doen.
Ik hoop dat dat me weer een beetje Lianne maakt.

 

En dan word ik nooit niet-gelukkig

Iedereen kent ze wel. Van die oude, verstrooide liefdes die van 2010 – 2013 ongeveer je leven bepaalde. Of nou ja, niet je leven. Op die leeftijden kon je sowieso nog niet helder denken.
Nu, jaren later hoor je er niets meer van. Zie je op Facebook dat ze de wereld rondreizen, dat ze een huis hebben gekocht of dat ze hun profielfoto veranderen in blauw, wit en rood gestreepte kleuren. Ik vraag me dan altijd af wat er van hen geworden is. Ik vraag me ook af of ik ze ooit nog zou willen zien of dat ik me daarbij juist heel ongemakkelijk zou voelen. En was het allemaal niet een beetje ‘net-niet?’. Ik bedoel, we waren ergens rond de 17. We kwamen net uit het disco-zwem en poffertjes tijdperk en ineens had je dan een Tilburgse tongzoendate.
Goede gesprekken waren er eigenlijk nooit. Of nou, dat dacht ik wel altijd. Ik vond mezelf nogal goed uit de hoek komen af en toe. Maar eigenlijk deed ik altijd maar wat. Ik probeerde met rare opmerkingen een gesprek aan te knopen. Of mensen huisdieren hebben en zo. Ergens wilde je je heel graag binden, maar aan de andere kant was je als de dood voor verkeringen. Niet dat iemand dat toen ook wilde. Je leefde in een studentenstad. Niemand had verkering daar. Liefde vloog nou eenmaal niet zo snel over de bar als een glas rosé bier.

Als je nu terugkrijgt. Wat was het toch ook allemaal prullenbakkenliefde. Totaal ongemakkelijk. Totaal nietszeggend.

Maar aan de andere kant. Zit ik nu achter een computer, telefoontjes op te nemen en Salim te appen of hij boodschappen wil doen. Aan mijn wasrek hangt nu ook af en toe zijn was en ik gebruik zijn Netflix en Spotify. Ik heb gisteren een Jupiler boxershort gewonnen bij een pubquiz en in plaats van dat ik hem op mijn hoofd zet en een pul bier leegdrink, geef ik de boxershort aan hem. Mijn vriendinnen vinden hem leuk, mijn moeder knuffelt hem bont en blauw als hij weer eens komt eten en mijn vader vertelt nog meer aan hem dan aan mij. We doen aan stadswandelingen, politieke discussies voeren, we maken grappen en zeggen dingen die er toe doen. Al dacht ik hier 3 jaar geleden nog heel anders over. Ik was bang dat ik degelijk werd. Al ben ik er nu achter dat verliefd zijn helemaal niet degelijk hoeft te zijn. Al klinken de dingen hierboven natuurlijk kneiter degelijk. Maar ik denk, zolang wij alles met een Marokkaans-Brabantse, brabonegerlijke, zelfspot kunnen bekijken, dan blijft alles goed. En dan word ik nooit niet-gelukkig.

Wie is de vluchteling?

Afgelopen dinsdagavond stond ik met mijn twee waardige collega’s van de Stayokay bij de achterzijde van Amsterdam Centraal, vlakbij de veerpont. Het was koud, regenachtig en ik had eigenlijk toen al spijt dat ik niet in mijn bed ben blijven liggen en de Grote Verbouwing af kon kijken. Iets voor zessen, keurig op tijd, stonden we als huismusjes midden op een snelweg van reizende, werkende en gehaaste meeuwen die maar één ding wilden: naar huis. Tussen dit massaverkeer in waren wij aan het zoeken naar een teken, een teken dat we op de goede plek waren. We hoopten namelijk een groepje mensen te vinden bij een stand, en een bord met daarop: Refugees Welcome Amsterdam. Vluchtelingen verwelkomen, dat was het plan.

Het was de bedoeling dat we op deze dinsdagavond eindelijk een keer iets goeds zouden doen voor de mensheid. Gewoon, een beetje bescheiden iets goeds willen doen wat niet meteen aan de grote klok hoeft worden te hangen. 3 uurtjes maar, even vluchtelingen redden en dit daarna evalueren met een wijntje.

De grote klok tikte maar door en op een gegeven moment merkte ik bij mezelf een lichtelijke frustratie. Er was helemaal geen stand, geen bord, geen teken, er was niemand. Alsof we in één grote Facebookgrap zijn getrapt. Alsof je helemaal naar Haren gaat voor een project X party en uiteindelijk is er een project niks.

Om kwart over zes kwamen we gelukkig in contact met wat vrijwilligers. Zij zaten ergens in een hoekje van het station en ook zij wisten eigenlijk niet wat er gebeuren ging. Er was een ouder vrouwtje waarvan ik nog steeds niet snap dat ze erbij was en een meisje wat al vaker mee had geholpen. De organisatie was nergens te bekennen. Nog wat minuten later kwam een meisje aangelopen die ik eigenlijk ook al meteen irritant vond en het werd nog irritanter toen bleek dat zij een van de organisatoren was. Een verschrikkelijke chaoot, dat was ze. Het eerste half uur was het rommelig, verwarrend en we hadden nog steeds geen idee. De journalistieke 5 w’s en 1 h. Ik wist er verdomme geen één.

Een moment later werden we door de chaotische chick naar buiten gestuurd om voedsel en andere spullen op te halen bij de Regenboog. Ik wist eerst ook niet wat dat was maar dat blijkt dus een organisatie te zijn die onderdak biedt aan daklozen. Iets langer dan vijf minuten liepen we achter twee andere vrijwilligers aan als een kip zonder kop. Het regende, het was koud en ik had nu nog meer spijt van alles. Eenmaal daar kregen we een bolderkar mee en liepen we weer dezelfde weg terug. Op de terugweg begonnen we met zijn drieën al langzaam plannen te maken wanneer we het beste konden vertrekken.

Toch, overweging na overweging, hadden we besloten om het nog even aan te kijken. Er werd een oranje XXL shirt naar ons toegeworpen met daarop: Welcome Refugees en een Arabische tekst. Waarschijnlijk stond daar dan de vertaling. Of rot op. Je weet het nooit nie.
Na één uur werd duidelijk dat we bij de treinen moesten gaan staan. Tussen alle reizende, werkende en gehaaste meeuwen in, die allemaal niets liever wilden dan naar huis. Geloof het of niet: in die mensenmassa werden wij aangespoord om mensen aan te gaan spreken en te vragen of ze misschien vluchteling zijn. Ik heb me niet vaak zo gênant gevoeld.

Hoewel dit niks voor ons was, is dit wel iets voor RTL. Zet drie getinte mensen op een rijtje en laat ze alle drie iets zeggen. Zet een jury op draaiende stoelen en ze kunnen op de knop drukken als ze denken de Voice van de vluchteling te horen. Of iets met So you think you are een vluchteling. Maar dat moeten ze in Hilversum maar even uitzoeken.